Tussen 1957 en 1962 bereikte de Koude Oorlog een zeer gevaarlijke en gespannen periode. Het conflict breidde zich verder uit naar Azië, waar de Vietnamoorlog steeds belangrijker werd. De Verenigde Staten steunden Zuid-Vietnam in hun strijd tegen het communistische Noord-Vietnam, waardoor het conflict uitgroeide tot een langdurige en bloedige oorlog.
Ondertussen begon ook de “ruimterace” tussen Oost en West. In 1957 lanceerde de Sovjet-Unie de eerste satelliet, Spoetnik, wat een grote schok was voor de Verenigde Staten. Kort daarna stuurden de Sovjets het hondje Laika de ruimte in en in 1961 werd Yuri Gagarin de eerste mens in de ruimte. De Amerikanen reageerden met een enorme inspanning om bij te blijven in de strijd om technologische superioriteit.
In Europa liep de spanning opnieuw op toen in 1961 de Berlijnse Muur werd gebouwd. De muur moest voorkomen dat inwoners van Oost-Duitsland massaal naar het Westen vluchtten. Berlijn werd daarmee hét symbool van de verdeelde wereld.

Tegelijkertijd ontwikkelde de Sovjet-Unie extreem krachtige wapens, zoals de Tsar Bomba, de zwaarste kernbom ooit getest.
Deze fase liet zien hoe gevaarlijk de Koude Oorlog kon worden, met directe dreiging van kernwapens en een wereld die letterlijk op de rand van oorlog balanceerde.