In de jaren zestig en zeventig leek de Koude Oorlog langzaam iets minder gespannen te worden. Toch bleven de spanningen zichtbaar, vooral in de Verenigde Staten en Europa. President John F. Kennedy speelde daarin een belangrijke rol. In 1963 hield hij in Berlijn zijn beroemde toespraak waarin hij steun uitsprak voor de inwoners van de stad met de woorden “Ich bin ein Berliner”. Kort daarna werd hij vermoord, wat een grote schok was in de wereld.

Ondertussen groeide in de Verenigde Staten het verzet tegen de Vietnamoorlog. Veel mensen waren geschokt door de beelden van het geweld op televisie. De oorlog, die was uitgegroeid tot een groot conflict in Zuidoost-Azië, zorgde voor massale protesten en verdeeldheid in de Amerikaanse samenleving.

In Europa kwam het in 1968 opnieuw tot grote spanningen tijdens de Praagse Lente. In Tsjecho-Slowakije probeerde leider Alexander Dubček het communisme te versoepelen en meer vrijheid toe te laten. Maar deze hervormingen werden hard gestopt toen troepen van het Warschaupact het land binnenvielen.

Na deze onrustige periode volgde een tijd van ontspanning, de zogenaamde détente. De Verenigde Staten en de Sovjet-Unie probeerden hun relatie te verbeteren en afspraken te maken over het beperken van kernwapens. Dit gebeurde onder andere via de SALT-overleggen, waarin werd onderhandeld over het aantal nucleaire wapens.

Toch bleef de wereld onzeker. Aan het einde van deze fase, in 1979, viel de Sovjet-Unie Afghanistan binnen. Daarmee kwam er een einde aan de periode van ontspanning en nam de spanning tussen Oost en West opnieuw toe.

Deze fase laat zien dat de Koude Oorlog soms ontspande, maar nooit echt verdween, en dat conflicten in verschillende delen van de wereld bleven doorwerken in de strijd tussen de twee supermachten.

Naar Fase 6