In 1953 veranderde de Koude Oorlog opnieuw van richting toen de Sovjetleider Jozef Stalin overleed. Zijn opvolger, Nikita Chroesjtsjov, koos voor een andere aanpak. Hij wilde afstand nemen van Stalins harde bewind en sprak in 1956 in het geheim over de fouten en misdaden uit die periode. Dit markeerde het begin van de destalinisatie en een voorzichtige poging tot vreedzame co-existentie met het Westen.
Toch bleef de spanning bestaan. In 1955 trad West-Duitsland toe tot de NAVO, waarna de Sovjet-Unie reageerde met de oprichting van het Warschaupact. Europa werd daarmee nog duidelijker verdeeld in twee militaire blokken: Oost en West.
Ook buiten Europa liep de spanning op. In 1955 begon de Vietnamoorlog, een conflict dat later een belangrijke rol zou spelen in de Koude Oorlog. In 1956 barstten opnieuw grote crises los. In Hongarije kwamen mensen in opstand tegen het communistische regime, maar deze opstand werd hard neergeslagen door Sovjettroepen.
Tegelijk ontstond de Suezcrisis in het Midden-Oosten, toen Egypte het Suezkanaal nationaliseerde. Groot-Brittannië en Frankrijk grepen militair in, maar werden door de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie onder druk gezet om zich terug te trekken. Dit liet zien dat de oude Europese koloniale machten hun wereldmacht aan het verliezen waren.

Zo werd in deze fase duidelijk dat de Koude Oorlog niet alleen een strijd tussen twee ideologieën was, maar ook een wereldwijd conflict waarin Europa zijn dominante positie in de wereld verloor en nieuwe spanningen zich uitbreidden naar Azië en het Midden-Oosten.