Na de Tweede Wereldoorlog lag Europa opnieuw in het midden van een nieuw conflict. In 1945 werd Duitsland, samen met Berlijn, opgedeeld in vier bezettingszones door de Verenigde Staten, de Sovjet-Unie, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk. Maar al snel bleek dat de voormalige bondgenoten totaal verschillende plannen hadden voor de toekomst.
Jozef Stalin begon in Oost-Europa steeds meer communistische regeringen aan de macht te helpen. Het Westen keek met groeiende zorg toe. In 1946 maakte Stalin duidelijk dat hij geen vertrouwen meer had in blijvende samenwerking met het kapitalistische Westen. Kort daarna waarschuwde Winston Churchill in een beroemde speech dat Europa was verdeeld door een “IJzeren Gordijn”.
De spanningen namen snel toe. De Verenigde Staten, onder leiding van president Truman, besloten om in te grijpen. Met de Trumandoctrine beloofden zij landen te steunen die bedreigd werden door het communisme. Niet veel later volgde het Marshallplan, waarmee West-Europese landen economisch werden geholpen om sterker te worden en het communisme te weerstaan.
Ondertussen gebeurde er in Oost-Europa steeds meer. In Tsjecho-Slowakije grepen communisten in 1948 de macht en in hetzelfde jaar blokkeerde de Sovjet-Unie de toegang tot West-Berlijn. De wereld hield zijn adem in, maar de Westelijke geallieerden hielden stand via een luchtbrug.

De verdeeldheid werd definitief zichtbaar toen in 1949 twee nieuwe machtsblokken ontstonden: de NAVO in het Westen en later dat jaar de Duitse Democratische Republiek (DDR) in het Oosten, tegenover de Bondsrepubliek Duitsland (BRD).