Na de Tweede Wereldoorlog lag Europa in puin, maar er ontstond al snel een nieuwe spanning in de wereld. Twee grote machtsblokken kwamen tegenover elkaar te staan: het kapitalistische Westen onder leiding van de Verenigde Staten en het communistische Oosten onder leiding van de Sovjet-Unie.
Tijdens de oorlog waren ze nog bondgenoten geweest tegen nazi-Duitsland, maar dat vertrouwen verdween snel. De verschillen in ideeën over hoe een land bestuurd moest worden waren te groot. In het Westen geloofden mensen in vrijheid, democratie en vrije handel. In de Sovjet-Unie draaide alles om controle van de staat en een centraal geleide economie.

Beide kanten vertrouwden elkaar steeds minder. Terwijl leiders op conferenties zoals in Jalta en Potsdam probeerden afspraken te maken over de toekomst van Europa, groeide juist de verdeeldheid. De Sovjet-Unie breidde haar invloed uit in Oost-Europa, terwijl de Verenigde Staten bang waren voor de verspreiding van het communisme.
De spanning liep verder op door geheimen rondom nieuwe wapens, zoals de atoombom, en een voortdurende wapenwedloop. Toch kwam het nooit tot een directe oorlog tussen de twee grootmachten. In plaats daarvan vochten ze hun strijd indirect uit, via conflicten in andere delen van de wereld, zoals in Korea en Vietnam.
Zo ontstond een lange periode van wantrouwen, dreiging en politieke strijd zonder directe oorlog: de Koude Oorlog. Pas decennia later zou die spanning langzaam verdwijnen, toen de wereldorde opnieuw veranderde.
De Koude Oorlog wordt door historici op verschillende manieren ingedeeld, maar meestal wordt 1945 als beginpunt genomen. Toen kwamen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie als overwinnaars van de Tweede Wereldoorlog naar voren, maar al snel groeide het wantrouwen tussen beide grootmachten. Sommigen wijzen ook op 1946 als startmoment, toen Stalin sprak over een onmogelijke vrede met het Westen en Churchill waarschuwde voor een “IJzeren Gordijn” dat Europa zou verdelen.
Wat volgde was een lange periode van spanningen die vaak in zes fasen wordt verdeeld.
In de eerste fase (1945–1949) ontstond direct na de oorlog een groeiend conflict in Europa. Het continent raakte verdeeld in een westelijk en oostelijk blok.
Daarna breidde het conflict zich in de tweede fase (1949–1953) uit naar Azië, waar de strijd om invloed onder andere zichtbaar werd in Korea.
In de derde fase (1953–1957) veranderde de Sovjet-Unie onder leiding van Chroesjtsjov door destalinisatie, maar tegelijk werd de macht van het Oostblok versterkt met de oprichting van het Warschaupact.
De vierde fase (1957–1962) was een van de spannendste periodes, met crises rond Berlijn, de opkomst van Vietnam en de Cubacrisis, waarbij de wereld dicht bij een kernoorlog kwam.
In de vijfde fase (1962–1979) kwam er iets meer ontspanning, de zogenoemde détente, al bleven conflicten zoals de Vietnamoorlog de wereld verdelen.
De laatste fase (1979–1991) was de eindfase, waarin de spanningen opnieuw opliepen, maar uiteindelijk het communistische systeem verzwakte en instortte. Dit leidde tot het einde van de Koude Oorlog en de val van de Sovjet-Unie.
Zo ontwikkelde de Koude Oorlog zich van een naoorlogse spanningsperiode tot een wereldwijd conflict dat uiteindelijk zonder directe oorlog tussen de supermachten eindigde.